|
There are no translations available.
Onderstaand reisverslag is geschreven door onze vriendin Dominique van der Meulen. Zij is in januari 2011 voor het eerst mee geweest naar The Gambia en heeft haar ervaringen aan het papier toevertrouwd. Een persoonlijk document, wat zij en wij graag met iedereen willen delen. Het is een lang verhaal, maar zo de moeite waard, recht vanuit haar hart geschreven.
Lieve allemaal,
Sinds een reis die onze beste vrienden maakten in 2003 en The Gambia hen niet meer losliet, horen wij al enthousiaste verhalen. Zij richtten een werkgroep op, “Yamah Youth”, in 1e instantie vooral gerund door de ouders van mijn beste vriendin Tjitske, Jaap en Trudy, maar zeker ook met behulp van de man van Tjitske, Gerwin en zij zelf.
Jarenlang zetten zij zich in, voor de mensen daar, in het bijzonder voor een schooltje, waar brother Yussuf het hoofd van is, the London Corner School (LCS) in Serrekunda. Meerdere malen bezochten zij het land en de stichting plaatste bijvoorbeeld een waterput, daar waar het heel hard nodig was. Ook leerden zij studenten kennen, die heel hard wat ondersteuning konden gebruiken. 1 van de hoofddoelen van de stichting werd het ondersteunen van een aantal van de armste kinderen van de LCS.
Na een aantal jaar waren er al meer dan 70 Nederlandse sponsoren gevonden, die voor (schrik niet) 8 euro in de maand een kind ondersteunen. 8 euro is genoeg voor een kind om te voorzien in een warme maaltijd per dag, het lesgeld en medicijnen waar nodig. In 2009 overlijdt Trudy plotseling, iets vreselijks. Ze werd 54 jaar. Dit alles had een zeer grote impact, ook in mijn leven. Samen moesten wij de moeder van mijn beste vriendin, die ik al vanaf mijn 13e kende, begraven. Het mooie was, dat iedereen nog meer gemotiveerd raakte om de stichting meer vorm te geven. Trudy zou trots op haar familie geweest zijn! En nu, in 2011, kregen wij eindelijk de kans om ook Gambia eens te bezoeken, nadat we genoeg geld bij elkaar gesprokkeld hadden, om maar even te benadrukken dat het geld van de stichting daar natuurlijk absoluut niet voor gebruikt wordt! De tijd stond stil in Gambia, zó indrukwekkend was het. Zoiets maak je maar een paar keer in je leven mee, een waar “life-event”. De vlucht van 6 uur is goed te doen en het moment waarop je op de trap naar beneden loopt, snuif en proef je de Afrikaanse warme lucht, heerlijk. Alle aparte dierengeluiden vallen ook gelijk op!
Direct willen de 1e Gambiaanse mannen je koffer maar wat graag dragen, iedereen hoopt de hele week op een fooi van de rijke toubabs (blanken). De slavernij is honderden jaren geleden, maar sommige mensen rennen zo hard voor je, dat je er bijna aan gaat twijfelen. Het hotel is maar een half uurtje rijden, The Gambia is sowieso niet zo groot. Het is avond, dus we zien niks….er is ook weinig straatverlichting. De hoofdweg is geasfalteerd, als één van de weinige wegen, zo blijkt later. Ons hotel is prima, groot en zeker voor Afrikaanse begrippen erg luxe. De jongen die onze koffers naar onze kamer brengt, zet de televisie keihard voor ons aan. Hij kijkt apetrots. Later beseffen we dat hij thuis natuurlijk helemaal geen televisie heeft. De volgende ochtend starten we, als echte toeristen, met een wandeling door onze hoteltuin, we zien gelijk apen en de meest prachtige vogels (Gambia is bij uitstek het vakantieland voor vogelliefhebbers, vanwege de rivier ‘The Gambia’ kent dit land een prachtige flora en fauna, en dan met name vogels met de meest exotische namen). Aan het eind van de hoteltuin ligt het strand, hoe cool is dat? Mooie golven, gave schelpen en heerlijk zand. Elke dag (9 maanden per jaar) is het zo’n 35 graden.
Behalve in het regenseizoen, dat valt in onze zomermaanden. Dan regent het vaak onafgebroken, goed voor het land qua akkerbouw en fruitteelt, maar funest voor de vaak slecht gebouwde huisjes en hutjes en ook voor de wegen. Een weg met een gat van een halve meter diep en 2 meter lang is meer regel dan uitzondering. De Gambianen willen graag wat van je, tuurlijk willen ze je dingen verkopen of een klusje voor je doen. Toch merken wij, dat als we dat niet accepteren, ze even goeie vrienden met je willen zijn. ‘No problem’ in the Gambia is hun lijfspreuk en al gauw behoort hij ook tot onze vocabulaire. Ze willen vooral weten waar je vandaan komt, wie je familie is, of je kinderen hebt, wat voor werk je doet etc. Ze zijn ontzettend nieuwsgierig wat je komt doen en hoe vaak je al in Gambia geweest bent. Zwaan kleef aan, ja….maar eigenlijk bijna nooit vervelend. Na onze strandwandeling komen wij in een natuurpark, vol met apen, andere dieren waardoor Gambia wel bekend is. De gids leidt ons enthousiast rond, vertelt wel gelijk dat hij ook vader is van 4 kinderen en dat die kinderen ook zó graag naar school zouden willen, maar hij heeft maar geld om er 2 naar school te sturen. Dit is eigenlijk wat je overal waar je komt te horen krijgt. Of het allemaal waar is, en wat je er nou precies tegen kan doen, blijft lastig. Feit is wel dat 70% onder de armoedegrens leeft en dat de regering best welwillend is, maar ook zo arm als wat. Er is een zeer hoge werkeloosheid en dat maakt het leven hard en af en toe uitzichtloos. Maar hebben wij daarover íemand horen klagen?? Ik weet zeker dat toeristen meer klagen: gatsie, wat ’n vieze koffie hier, mijn matras ligt zo beroerd, kan die airco niet wat hoger, jongejonge wat duurt het hier allemaal lang etc.
Plaatsvervangende schaamte bekroop mij af en toe en zeker nu ik weer heerlijk in mijn comfortzone in Nederland ben. Ik heb serieus niet 1 iemand horen klagen in Gambia, hoe beroerd het er ook voor hem uitzag. Ze leven bij de dag en proberen van elke dag het beste te maken. Hoe mooi? Hoe leerzaam? Vol afgrijzen luisterde de staf van de school tijdens een dinertje waar wij hen op konden trakteren, naar onze verhalen over het, in hun ogen zo rijke en prachtige, westen. Dat je hier, als je pech hebt, 4 maanden dood in je huis ligt en niemand die het weet. Dat je nog net weet hoe je buurman heet, maar het huis daarnaast, dat wordt moeilijk. Dat we hier eigenlijk vaak alleen maar bezig zijn met onze carrière, ons huis en als het niet meer leuk is, we al snel aan een scheiding denken. Dat we hier vaak grote discussies hebben over het geloof en dat het soms onmogelijk lijkt om iets samen te beleven op geloofsgebied. Emanuel, een meester van rond de 50, met een kale kop, klein van stuk, maar met de meest mooie (blauwe!) ogen die ik in tijden gezien hebt, merkt na een tijdje op: ‘nou, dan denk ik, dat God jullie heeft gezegend met rijkdom en ons…..met familie, vrienden en liefde’. Dat was voor mij zo’n moment…dat ik dacht: ja, en wat heb je eigenlijk liever??
Je bent wie je kent, ook zo’n prachtig gezegde, terwijl je hier in Nederland toch wel snel bent wat je doet. Om dit gegeven verder te onderstrepen, lijkt wel, bezoeken wij op zondag de lokale kerk. Het is een groot feest, zonder dat er emoties overschreeuwd worden, daar is wel plek voor. Als de mensen hier zingen: Because He lives I can face tomorrow, durf ik bijna niet meer mee te zingen, zij menen het echt. Voor hun is dit een dagelijkse waarheid. De dienst duurt zo’n 3 uur, begint niet echt op tijd en eindigt dat dus ook niet: no problem my friends, Gambian time. (het lijkt de NS in Nederland wel) Iedereen die wil kan binnen komen lopen. En wat we te horen krijgen: ja, maar als er een feest is in de moskee, ga ik daar ook wel eens heen. (en andersom gebeurt dit ook) Gambia bestaat voor 80% uit moslims, zij zijn zeer gematigd. Christenen en moslims leven in complete harmonie met elkaar samen, dat is iets waar de regering zeer goed zorg voor draagt. Ook hier kunnen wij wat van leren, en heel veel andere landen ook.
De volgende 2 dagen zijn voor ons zeer bijzonder, we bezoeken dan eindelijk het schooltje, wat ligt op ongeveer een half uur rijden van ons hotel. Dat geeft niks, want elke taxirit is een ware belevenis. Alleen maar stof, rood zand, kleurige kleding en mensen die werkelijk van alles verkopen langs de kant van de weg, hobbels en kuilen en andere voertuigen ontwijken, want verkeersregels en borden? Nee, dat kennen ze niet. De enige regel vertrouwt de taxi-chauffeur mij toe, is dat je je gordel om hebt. En daar checkt hij dan ook streng op. De kinderen zijn helemaal opgewonden, omdat de 9 Toubabs eindelijk komen. Ze hebben speciaal voor ons allerlei liederen en dansjes ingestudeerd en treden klas voor klas voor ons op, onder begeleiding van enthousiast djembé-geroffel. Dit alles gebeurt op het plein in de brandende zon, alleen wij zitten in de schaduw. Er zijn veel ouders gekomen, sommige hebben bijna 3 kwartier gelopen om ons te bedanken, vooral ‘daddy’ Jaap wordt geprezen en geroemd, soms bijna teveel, tegen zoveel dankbaarheid kunnen we niet op. ‘mama’ Trudy wordt ook niet vergeten, al anderhalf jaar niet meer bij ons, maar hier: voelen we haar bijna lijfelijk. Dit is weer zoiets waarvan we leren, laat het er maar gewoon zijn. Het mag. Het is oké.
De kinderen zijn oprecht blij, tuurlijk ook omdat ze een lolly en een zakje chips krijgen (voor de meeste kinderen geldt, dat dit de feestelijkste traktatie en dag in het jaar is) maar ook gewoon: omdat we er zijn. Tuurlijk zijn ze onwijs blij met de voetballen en het geld voor uniformen en schoolboeken, maar ze willen ook gewoon bij je zitten, met je kletsen (in het Engels gelukkig, want als je naar school gaat, leer je Engels – Gambia is een Engels kolonie geweest - ) Gelijk nog een zeer belangrijke reden om naar school te kunnen. Als je Engels kunt, heb je veel meer kans op een baan, bijvoorbeeld in de toeristische sector. Als je alleen je Afrikaanse dialect spreekt, wordt het moeilijk. Nataniël is uren en uren bezig om alle sponsorkinderen voor de sponsors thuis op de foto te zetten. Qua administratie is het hier een behoorlijke chaos, zij weten wel wie iedereen is, maar het duurt en het duurt. Ondertussen vermaken wij ons prima, praten, praten, praten en heerlijk aanmodderen met de kinderen, ik weet niet wie er meer geniet. Onze school is jullie school. In deze week vindt er (toeval bestaat niet, want ik mis de inspecteur op mijn eigen school, juist ook in deze week) ook een inspectiebezoek plaats. De LCS komt goed uit de bus, de leraren zijn zeer vaak aanwezig, iets wat best bijzonder is in Gambia. Ze krijgen nl. bijna niks betaald en heel vaak zijn er thuis belangrijkere dingen te doen: denk aan zaaien, oogsten, het 6e kind wat bijna geboren gaat worden, een ingestort huis opknappen na het regenseizoen etc. Het treft ons recht in het hart, de liefde van deze onderwijzers voor hun kinderen en ik complimenteer de directie ermee….als wij eens iets van hun passie mee zouden kunnen nemen? Ze glimmen van oor tot oor bij het horen van deze lovende woorden. Even uitblazen in de schaduw en ik hoor van achter een muurtje: hé psssst, missy, what’s your name? Een schattig jochie van een jaar of 6 is waarschijnlijk even naar het toilet (gat in de grond) geweest en waagt zich nu nog heel even
buiten de klas. Ik kijk door de gaten in het muurtje en zeg: Dominique. Hij glimlacht en kijkt me zo lief aan. Ik keer me weer om en dan hoor ik hetzelfde jochie nog een keer psssssst- en. Hé dodo, I love you! Moet ik dan nog meer vertellen? De clichés zijn zó waar, alle kindjes zijn zó schattig. Liefde op het eerste gezicht!

Het bezoek leert ons ook gelijk weer veel over ‘ontwikkelingshulp’…wat geef je, wat is er nodig….als er bijvoorbeeld niet eens stromend water is, of een gewoon toilet….of kasten waarin je wat kan opbergen. Als er 48 kinderen in een lokaal van gemiddeld 3 bij 5 meter zitten? Waar begin je, je moet de mensen leren kennen, je moet de cultuur leren kennen, je moet jezelf niet beter voelen omdat jij toevallig in Nederland woont, je moet niet je geweten willen sussen, je moet niet al jouw westerse ideeën op hun projecteren, wat in ons land werkt, zal daar vaak helemaal niet werken. Je moet….het doen vanuit je hart, maar ook met je verstand! We maken elke dag grote sprongen en ik heb veel respect voor mijn vrienden, hoe zij al met andere ogen zijn gaan kijken naar dit land en naar deze mensen. Je wilt zoveel, maar je kunt soms zo weinig. Elk steentje dat je bijdraagt is goed, is prima en we zien dat het werkt. De school functioneert prima, ze gaan in de buurt op zoek naar de allerarmsten en zorgen ervoor dat die kinderen gesponsord worden. Ook als er onverwacht ander bezoek uit Nederland overkomt, zijn de leerkrachten altijd goed bezig, er heerst orde, maar er is ook liefde. Het geld dat wij meebrengen wordt goed beheerd en er wordt niet zomaar iets gekocht. Er wordt goed nagedacht over wat nu belangrijk is door de staf zelf en niet meer uitgegeven dan puur noodzakelijk is. In alle jaren dat Yamah Youth bestaat is er een hechte vertrouwensband gegroeid tussen broeder Yussuf en zijn staf en de medewerkers van de stichting. Het bezoek aan de school zal ik nooit vergeten, ik zou nu, à la minute, terug gaan, gewoon om daar weer even te zijn!
Dan de laatste 2 indrukwekkende dingen, ik zou een boek kunnen schrijven, dat merk je, maar ik moet zal mezelf inhouden. We bezoeken het dorpje waar een paar jaar geleden de waterput is aangelegd. Toen stonden er misschien 20 hutjes, inmiddels zijn het er meer dan 100. Waar water is, is leven. Ik draaide de kraan onder het tandenpoetsen altijd al uit, maar nu helemaal. De moslim-gemeenschap is zeer vereerd met ons bezoek. Bij de gesprekken is telkens een tolk aanwezig, want in dit afgelegen gebied is niemand naar school geweest. De armoede is er erger dan in de stad. We lopen samen naar de put, waar we nog in mozaïek de naam van Trudy zien staan. Heel het dorp loopt uit en telkens voel je kleine handjes in die van jou. We delen dikke stickers uit van dieren en het loopt storm! Ik weet niet wie het leuker vinden, de moeders of de kinderen. Allemaal willen ze wel een paar ‘tattoos’. Op de terugweg vragen we of we een huisje van de binnenkant mogen zien en dat mag. Er ligt een meisje op bed, in 1 van de kamertjes. Ik vraag wat zij heeft, want de rest van het dorp staat nog steeds buiten op ons te wachten, inclusief álle kinderen. Zij heeft malaria. En nu…wat gaat er dan nu met haar gebeuren?....zij gaat dood….. dood …..? Ik kan je niet omschrijven wat je dan voelt. Je keel wordt dicht geknepen en je kijkt elkaar alleen maar aan. Je kijkt in je tas om te zien of er nog wat leuks in zit….voor haar, dat meisje van een jaar of 6, dat zo ziek uit d’r oogjes kijkt en amper omhoog kan komen om ons te begroeten. Dan kijken wij elkaar aan en maken een plan, zonder dat we het uitspreken, we leggen straks ons geld bij elkaar en geven dat, om medicijnen te kopen. We vragen wat medicijnen kosten….300 dalasi….we rekenen om….dat is nog GEEN 8 euro. Dit hoeven we niet eens bij elkaar te leggen, dit hebben we allemaal gewoon in onze zakken zitten, alsof het niks is. We geven het aan de moeder, zij spreekt geen woord Engels, maar de dankbaarheid in haar ogen en de trillende handen die ze omhoog blijft houden, met de briefjes geld erin….ik kan er nog om huilen. Haar dochter, haar meisje, wordt weer beter! Voordat we afscheid nemen, wordt er uitgebreid gedankt en gebeden met ons, in een grote kring. Wij in onze taal, zij in hun eigen taal, Hij moet het gehoord hebben, en ervan genoten hebben! In de taxi terug zit eigenlijk niemand met droge ogen. We praten over Trudy’s plekje in de hemel, het zou mij niet verbazen, als dat recht boven deze gemeenschap is, zodat ze elke dag even kan kijken! Ja, ze had er gewoon bij moeten zijn! Van het geld dat we voor onze Malerone (pillen tegen malaria) gebruikten, hadden we ongeveer 15 van deze kinderen ergens anders in Gambia kunnen redden? Te bizar voor woorden. 15 kinderen, da’s een klas vol, tenminste, bij mij op school.
Ook bezoeken wij in deze week een slaveneiland, het wordt een echte dagtrip. Gambia is niet groot, maar wel lang en in een landrover vertrekken wij naar de rivier, die wij oversteken in een immense ferry. Blanke mensen mogen hier eerst op. Bizar. Alles wat je maar kunt bedenken gaat mee op de ferry, dieren, mensen, spullen en heel veel auto’s. Na een boottocht van een half uurtje, komen we op de andere oever aan, hier gaat ons avontuur verder. We gaan nu diep het binnenland in en jongemannen proberen ons lolly’s aan te smeren: children in the inland, they love it. We rijden dan bijna 3 uur over een onverharde, stoffige weg en inderdaad….kinderen vanuit allerlei hutjes rennen naar de weg toe, zodra onze landrover verschijnt! Uit alle macht roepen ze toubab, toubab en als we dan wat lolly’s of zakdoeken of schriften of pennen of stickers of kauwgom of wat we dan ook maar in onze tas hebben zitten, naar ze toe gooien, krijg je de meest brede witte glimlach. Het voelt erg vreemd of vanaf jouw vervoersmiddel dit soort dingen naar mensen toe te gooien, bijna alsof het niet mag. Te rijk, te decadent. Maar….de kinderen zijn zó blij, dus naarmate de tijd vordert, genieten we er dan ook maar van. Dan zijn we bij de kust, waar we in een dorpje komen, en er een bootje voor ons klaar ligt. Veel Afrikanen kunnen niet zwemmen, dus sommigen in ons bootje doen een zwemvest aan, maar of die nou zoveel zal helpen? We varen naar een eilandje, waar je in 10 minuten omheen bent gelopen, er staan grote restanten van het machtige slavenfort dat hier ooit stond. In 350 jaar slavernij zijn hier miljoenen, miljoenen mensen weggevoerd, eerst naar dit kleine eilandje, waar ze een paar dagen opgesloten werden, mishandeld en de vrouwen vaak verkracht. Als ze zwanger waren, brachten ze meer op. En als je ze mishandeld, durven ze minder en gaan ze ook minder aan thuis denken, als het ‘goed’ is tenminste. Vanaf dit eiland werden ze vervoerd op grote schepen naar Dakar en vanuit daar naar de rest van de wereld. In deze tijd beleven wij in Nederland ‘De Gouden Eeuw’ iets wat bij de geschiedenislessen altijd wel tot verbeelding spreekt. Maar hier schaam je je voor je witte huid, je zou hem wel uit willen doen. Wij zijn rijk geworden, maar niet alleen maar omdat we zelf zo hard werkten. Dagboeken die we zien in het museum, die we zien bevatten nog zinnen: ‘ik vertrok met 1700 stuks, ik kwam aan met 400, dat zijn de beteren!’ Ze mochten wel terug, ‘spring maar in het water, als je het redt om tot de kust te zwemmen, ben je weer vrij’. Niemand kon zwemmen, maar er waren er veel die het probeerden, alles liever dan…. En dan…verdronken ze. De kanonnen en de stevige muren herinneren ons, dat het een gouden handel was, die flink beschermd moest worden. Hier waren het vooral de Engelsen, maar wij Nederlanders konden er ook wat van. Niet alleen de Westkust van Afrika heeft hieronder geleden, de Oostkust net zo goed. 5 jaar oorlog in Putten, bedenk ik me, heeft littekens achter gelaten die nooit meer mooi geheeld zijn. De sporen zijn niet uit te wissen, zelfs niet na 65 jaar. Wat moet ruim 300 jaar slavernij dan wel niet met een volk doen? Kom je dat ooit nog te boven? Ook zijn de grondstoffen die er waren vaak meegeroofd en is het land kaal en kapot achter gelaten. We worden er stil van en op de terugweg heeft ieder genoeg om over na te denken. Zeg mij nooit meer dat ze gewoon lui zijn, dat ze er ook niks voor doen, dat ze wel dit kunnen of dit kunnen als ze maar willen, dat er maar een groot hek omheen moet, dat ze het zelf maar moeten uitzoeken, dat…..dat wij beter zijn, omdat we toevallig hier geboren zijn? Wat ’n hoogmoed, wat kortzichtig…wie zijn wij om dat te zeggen? Wie zijn wij om dat zelfs maar te denken?? Aan alles zit natuurlijk twee kanten, dat begrijp ik ook. Maar aan de kant van de slavernij zit er maar één: en dat is een hele zwarte! Een zwarte bladzijde in de geschiedenis,…da’s nooit genoeg!
De taxichauffeur en Saikou, de student die al jaren ondersteund wordt en een fantastische leerling is op de universiteit, zijn met ons mee. Nadat we terug gevaren zijn, eten ze ook mee, wij betalen, in het restaurantje in het dorpje. Echter: zij eten hun bord niet helemaal leeg, ze geven wat over is weg. Hmmm…..dat hadden wij ook best kunnen doen, maar zoiets bedenk je gewoon niet eens. Gelukkig hebben we wel heel veel kinderkleertjes mee en de tweeling in dat dorpje loopt er straks superchique bij, dankzij veel kleertjes van mijn eigen dochter. Ook hier werd niet geruzied, er werd gekeken en gedeeld en mensen waren blij, ook voor elkaar! Goed, soms denk je dat je genoeg hebt geleerd, maar het houdt hier niet op. Ik zou nog meer kunnen vertellen, over de voetbalwedstrijd die we bezochten, over het compound (huis) van Saikou waar we naar toe zijn geweest, over de markt die we meemaakten, waar we echt de enige blanke waren tussen honderden Gambianen. Over de tuinman, over de strandjongens, over het gesprek en het emailadres dat ik uitwisselde op de ferry, over het heerlijke eten, over de gastvrijheid, over het ziekenhuisje, over de blanke 50+ vrouwen die met jonge Gambiaanse jongens over straat lopen, voor wat kleding of geld doen de jongens alles, en dan bedoel ik ook alles, voor je, over de dames van ‘plezier’ die vaak uit andere landen kwamen, bijvoorbeeld Mali en die hier de behoeften van de blanke toerist bevredigen, de slavernij was toch afgeschaft? ….over de kleding die we kregen als bedankje van de staf van de school, over Johannes in de blauwe trui, over peddelen, peddelen, peddelen, over massages en pedicures, over de 100 en 1 verschrikkelijke lachbuien die we hebben gehad, over ……. En dan stoppen, met mijn reisverslag, met alle indrukken…. Wie weet schrijf ik echt nog eens een boek. Ik ga terug, wij gaan terug, da’s een ding wat zeker is. Om iedereen weer te ontmoeten, om er gewoon weer te zijn en om dingen te kunnen doen! Geweldig. Ik heb een gedicht geschreven, uit mijn hart om mee af te sluiten, die vindt je op de volgende bladzijde, daar paste hij mooi op. Ja, ik had ook niet gedacht dat ik zoveel kantjes vol zou schrijven, maar ach….je kent me.
Ps. We ontvingen van twee weken na terugkomst een mail van Yussuf. Het meisje dat we konden helpen in het dorp bij de waterput door geld voor medicijnen te geven, is volledig hersteld!

De druppel Een reis om nooit te vergeten Een reis die ons zoveel bracht. Een reis die maakt dat wij weten We doen wat ligt in onze macht Om te helpen, van wat wij hebben te delen En zou dat dan echt zoveel schelen? Het is toch maar een druppel op een gloeiende plaat? Maar het is hét verschil voor het kindje daar op straat. Elke dag wakker worden Weten dat je naar school kunt gaan. Dat je kunt eten en leren voor een baan Dat je leert hoe jij voor anderen zorg kan dragen Dat er een plek is waar jij dingen mag vragen Dat je hoort, dat jij speciaal bent Dat je weet, dat jij wordt gekend Dat je voelt, er is iemand die van mij houdt Dat is veel meer waard dan euro’s of goud. Die druppel, je bleef er op hopen En nu is de emmer overgelopen Dat was nou precies de druppel die je nodig had Zo eenvoudig is dat. Jij vond weer de hoop en kracht in je leven En dat omdat ik besloot iets te geven. Ach weet je? Het maakt mij niet beter of goed Van jou heb ik juist geleerd hoe het moet Je gaf mij ook zoveel Van jouw leven werd ik een deel Je omarmde mij, ik hoor nu bij jou Je werd een deel van mijn hart, ik blijf je trouw Wat jouw land met mij deed, zal ik niet vergeten Hoe het met je gaat, ik zal het weten! En ook al red ik niet iedereen, misschien maar 1 mens Het maakt het verschil, dat is mijn wens!
Deel dit artikel!
|